“Een kind heeft een mama en een papa nodig.” Onderzoek spreekt klare taal

Telkens als het debat over regenbooggezinnen oplaait, komt dezelfde vraag terug: is het voor een kind niet beter om op te groeien met een mama en een papa?

Hoe levendig dat debat nog is, bleek recent. De Nederlandse premier Rob Jetten en zijn Argentijnse partner Nicolas Keenan kondigden aan dat ze met hulp van een eiceldonor en een draagmoeder een kind verwachten. Onder het bericht op Instagram kwamen veel felicitaties, maar op X waren de reacties minder positief. Iemand schreef: “Volkomen ziek dit. Dit kan allemaal maar in deze duivelse wereld”. Achter veel van die reacties zit dezelfde vraag: zal dit kind iets tekortkomen?

Die vraag verdient een eerlijk antwoord, gebaseerd op het beste onderzoek dat we vandaag hebben.

Een volwassene en een kind wandelen hand in hand over een straat beschilderd in regenboogkleuren.

Niet elke studie weegt even zwaar

Lang steunde het onderzoek op kleine groepen vrijwillige deelnemers, vaak hoogopgeleide lesbische moeders uit grote steden, die zelf de vragenlijsten over hun kind invulden. Intussen zijn er betere gegevens: grote studies bij de hele bevolking, gegevens van de overheid en overzichtsstudies die tientallen onderzoeken bundelen.

Wat de sterkste studies tonen

Nederland stelde in 2001 als eerste land het huwelijk open voor koppels van hetzelfde geslacht. Onderzoekers volgden via de gegevens van de overheid alle kinderen geboren tussen 1998 en 2007: bijna 3.000 kinderen met twee moeders of twee vaders en meer dan een miljoen andere kinderen. Wie vanaf de geboorte bij twee moeders of vaders opgroeide, scoorde beter op de eindtoets van de lagere school en haalde vaker een diploma secundair onderwijs [1]. Een tweede Nederlandse studie kwam tot hetzelfde besluit: deze kinderen scoorden gemiddeld iets beter op de eindtoets en gingen vaker verder studeren [2].

Is dat het bewijs dat twee mama’s of papa’s beter zijn? Wellicht niet. Deze ouders zijn gemiddeld ouder, hoger opgeleid en welvarender. Een kind krijgen kost hen vaak jaren en veel geld, dus een kind komt er nooit per ongeluk. Hou je rekening met opleiding en inkomen, dan wordt het voordeel kleiner, al verdwijnt het niet helemaal [1].

Ook voor twee vaders is het beeld geruststellend. Een analyse van zeventien studies over gezinnen met twee vaders, via adoptie of draagmoederschap, vond dat deze kinderen het gemiddeld even goed deden als de meeste kinderen van hun leeftijd, met zelfs iets minder gedragsproblemen dan kinderen van heteroseksuele ouders. Ook hier speelde de opleiding van de ouders mee [3].

De breedste overzichtsstudie bundelde 34 studies uit landen waar relaties van hetzelfde geslacht wettelijk erkend zijn. Meestal was er geen verschil, bijvoorbeeld wat betreft de mentale gezondheid van de ouders, de stress van het opvoeden en hoe goed het gezin functioneert. Bij kleuters zagen ouders van hetzelfde geslacht iets minder gedragsproblemen dan andere ouders, al is het verschil erg klein. Bij oudere kinderen was er geen verschil. En hoe recenter de studie, hoe kleiner ook dat kleine voordeel werd [4].

En de studies die wel nadelen vonden?

De bekendste, een Amerikaanse studie uit 2012, vond dat jongvolwassenen van wie een ouder ooit een relatie had met iemand van hetzelfde geslacht vaker depressief en lager opgeleid waren [5]. Maar wie zat er in die groep? Vaak ging het om kinderen van een getrouwd heteroseksueel koppel dat uit elkaar ging, waarna mama of papa een relatie begon met iemand van hetzelfde geslacht. Toch werden ze vergeleken met jongeren van wie de ouders nooit scheidden. Wie geen appelen met peren vergelijkt, ziet de verschillen grotendeels verdwijnen [6].

Een andere studie vond dubbel zoveel emotionele problemen. Maar ook daar verdween het verschil zodra de kinderen vergeleken werden met kinderen uit heteroseksuele plusgezinnen, die ook vaak bij één biologische ouder en een nieuwe partner wonen [7]. En in de Nederlandse studie scoorden kinderen die pas na een scheiding bij twee moeders of vaders gingen wonen, even goed op de eindtoets als andere kinderen van gescheiden ouders [1]. Het is dus de scheiding die het verschil verklaart, niet het geslacht van de ouders.

Een peuter in een regenjas staat aan de oever van een bergmeer en kijkt naar een regenboog.

Wat maakt echt het verschil?

Stabiliteit en erkenning. In de Verenigde Staten beoordeelden samenwonende ouders de gezondheid en het gedrag van hun kinderen minder gunstig dan gehuwde ouders, of die ouders nu van hetzelfde of een verschillend geslacht waren [8]. Wellicht gaat het niet om het trouwboekje zelf, maar om wat het betekent: een stabielere relatie en meer wettelijke bescherming. In die periode konden koppels van hetzelfde geslacht in de meeste Amerikaanse staten bovendien nog niet trouwen. Kinderen van koppels van hetzelfde geslacht liepen er vroeger soms een kleine schoolachterstand op, vooral in staten waar zulke gezinnen minder aanvaard waren. Die achterstand verdween na enkele jaren [9]. Stigma, discriminatie en weinig steun van familie zijn de risicofactoren die telkens terugkomen [4].

De verrassing

Eén groep kinderen springt er wel uit. Een grote Amerikaanse studie vroeg ouders rechtstreeks naar hun seksuele oriëntatie. Kinderen van lesbische of homoseksuele ouders verschilden niet van andere kinderen. Kinderen van biseksuele ouders hadden wel vaker emotionele moeilijkheden [10].

Die ouders ervoeren zelf veel stress: ruim één op de vijf zat boven de grens voor een mogelijk ernstig psychisch probleem, tegenover ongeveer drie procent bij de andere ouders. Zes op de tien van deze biseksuele ouders voedden hun kind alleen op, en ruim een derde had een partner van het andere geslacht. Biseksuele ouders worden vaak niet gezien of afgewezen door heteroseksuele en homoseksuele mensen. Zodra de onderzoekers rekening hielden met de stress van de ouder, verdween het verschil bij de kinderen [10].

Of die kinderen de stress echt meedragen, of dat een ouder die het moeilijk heeft het eigen kind somberder inschat, kan deze studie niet uitmaken: dezelfde ouder beantwoordde beide vragen. In beide gevallen ligt de sleutel bij de ouder, niet bij het geslacht van de partner.

Komt een kind met twee mama’s of twee papa’s iets tekort? Het onderzoek zegt nee. Wat kinderen wel kan schaden, is de stress, afwijzing en onzekerheid die hun ouders moeten dragen. En die last kunnen we als samenleving verlichten.


Auteur

Prof. Alexis Dewaele is verbonden aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent. Hij doet al twintig jaar onderzoek naar het welzijn van LGBTQ+ personen, met aandacht voor de impact van stigma en minderheidsstress.

Referenties

  1. Mazrekaj, D., De Witte, K., & Cabus, S. (2020). School outcomes of children raised by same-sex parents: Evidence from administrative panel data. American Sociological Review, 85(5), 830–856. https://doi.org/10.1177/0003122420957249
  2. Kabátek, J., & Perales, F. (2021). Academic achievement of children in same- and different-sex-parented families: A population-level analysis of linked administrative data from the Netherlands. Demography, 58, 393–418. https://doi.org/10.1215/00703370-8994569
  3. Carone, N., Cruciani, G., Quintigliano, M., Baiocco, R., & Lingiardi, V. (2025). Child psychological adjustment in planned gay father families: A meta-analysis. Sexuality Research and Social Policy, 22(2), 1022–1042. https://doi.org/10.1007/s13178-024-01007-1
  4. Zhang, Y., Huang, H., Wang, M., Zhu, J., Tan, S., Tian, W., Mo, J., Jiang, L., Mo, J., Pan, W., & Ning, C. (2023). Family outcome disparities between sexual minority and heterosexual families: A systematic review and meta-analysis. BMJ Global Health, 8(3), e010556. https://doi.org/10.1136/bmjgh-2022-010556
  5. Regnerus, M. (2012). How different are the adult children of parents who have same-sex relationships? Findings from the New Family Structures Study. Social Science Research, 41(4), 752–770. https://doi.org/10.1016/j.ssresearch.2012.03.009
  6. Cheng, S., & Powell, B. (2015). Measurement, methods, and divergent patterns: Reassessing the effects of same-sex parents. Social Science Research, 52, 615–626. https://doi.org/10.1016/j.ssresearch.2015.04.005
  7. Sullins, D. P. (2015). Emotional problems among children with same-sex parents: Difference by definition. British Journal of Education, Society & Behavioural Science, 7(2), 99–120. https://doi.org/10.9734/BJESBS/2015/15823
  8. Reczek, C., Spiker, R., Liu, H., & Crosnoe, R. (2016). Family structure and child health: Does the sex composition of parents matter? Demography, 53(5), 1605–1630. https://doi.org/10.1007/s13524-016-0501-y
  9. Boertien, D., & Bernardi, F. (2019). Same-sex parents and children’s school progress: An association that disappeared over time. Demography, 56, 477–501. https://doi.org/10.1007/s13524-018-0759-3
  10. Calzo, J. P., Mays, V. M., Björkenstam, C., Björkenstam, E., Kosidou, K., & Cochran, S. D. (2019). Parental sexual orientation and children’s psychological well-being: 2013–2015 National Health Interview Survey. Child Development, 90(4), 1097–1108. https://doi.org/10.1111/cdev.12989
 

Een ouder verliezen als adolescent: hoe jongeren rouw verwoorden

In elke klasgroep van twintig leerlingen zit er gemiddeld één wiens moeder of vader niet meer leeft. Het verlies van een ouder is een van de meest ingrijpende ervaringen die een jongere kan meemaken, en toch blijft het in onze samenleving vaak onuitgesproken. Juist in de adolescentiefase, een periode die al gekenmerkt wordt door zoeken naar identiteit, toenemende zelfstandigheid en vragen rond relaties en seksualiteit, kan zo’n verlies extra hard aankomen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat het overlijden van een ouder verstrekkende gevolgen heeft voor de identiteitsontwikkeling, sociale relaties en het mentale welzijn van adolescenten (Guzzo & Gobbi, 2023).

Welke thema’s keren terug wanneer jongeren over dat verlies praten? En hoe gaan ze ermee om? Om deze vragen te beantwoorden analyseerde ik in het kader van mijn masterproef 37 chatconversaties tussen adolescenten (10-19 jaar) en chatbeantwoorders van Awel, een Vlaamse hulplijn voor kinderen en jongeren van zes tot en met vijfentwintig jaar, allemaal rond het thema van het verlies van een ouder. In die anonieme gesprekken verwoorden jongeren hun rouw op een spontane, ongefilterde manier.

Innerlijke beleving: wie ben ik nog zonder jou?

Een terugkerend thema in de gesprekken is de manier waarop adolescenten het verlies innerlijk beleven. Het merendeel beschrijft een duidelijk breukmoment: een leven voor en een leven na het overlijden van de ouder, met voelbare gevolgen voor identiteitsbeleving en toekomstperspectief. Een adolescent wiens vader twee jaar eerder plots overleed, verwoordt het als volgt: “Sinds mijn vader is overleden, weet ik niet meer wie ik ben.” Veel adolescenten geven ook aan dat ze regelmatig, en vaak tegen hun wil, denken aan of dromen over de overleden ouder. Die gedachten en dromen installeren tijdelijk de hoop dat de ouder nog bestaat, maar confronteren hen des te harder met de realiteit van de afwezigheid zodra ze ophouden. Dat besef maakt jongeren verdrietig, kwaad en angstig voor een toekomst zonder die ouder.

Omgeving: aanwezig, maar niet altijd begripvol

Naast die innerlijke beleving uiten adolescenten ook het gevoel niet begrepen te worden door mensen in hun omgeving. In een aanzienlijk deel van de gesprekken is sprake van een gespannen thuissituatie: ruzies met de nabestaande ouder, het gevoel dat hun inspanningen onvoldoende worden erkend of schrik dat een nieuwe partner de plaats van de overledene inneemt. Een jongere verwoordt dit als volgt: “Er werd bijna niets gezegd als het alleen mijn vader en ik waren. Totdat zijn vriendin kwam. Toen veranderde alles, en ik moet daar nu mee omgaan en het accepteren.” Ook buiten de thuisomgeving loopt het soms mis: vrienden kunnen een luisterend oor bieden, maar schieten tekort als het gaat om praktische of emotionele ondersteuning. Welbedoelde adviezen en schroom om over het verlies te praten versterken dat gevoel van onbegrip.

Omgaan met verlies: tussen toenadering en terugtrekking

Hoe gaan adolescenten dan om met dat verlies? Opvallend is dat ze spontaan lijken te alterneren tussen toenadering zoeken en afstand nemen, een ambivalentie die ze zelf ook herkennen. Een adolescent beschrijft het als volgt: “Soms begrijp ik mezelf niet. Aan de ene kant wil ik alleen zijn, maar aan de andere kant voel ik me dan zo ontzettend eenzaam.” Daarnaast zoeken jongeren actief naar manieren om innerlijke spanning draaglijker te maken: via spanningsontlading (wenen, bewegen, soms ook zelfverwonding), via afleiding (muziek, televisie, schoolwerk) of via creatieve expressie (tekenen, schrijven). Op langere termijn werken ze gradueel aan heroriëntatie, het zoeken naar nieuwe betekenis en het integreren van het verlies in hun eigen levensverhaal.

Wat helpt: rust, autonomie en oprecht contact

Wat kan adolescenten helpen bij het verwerken van zo’n verlies? Doorheen de gesprekken klinkt één nood bijzonder luid: rust en autonomie. Jongeren willen zelf kunnen kiezen óf, wanneer en met wie ze over het verlies praten. Ze voelen zich het meest op hun gemak bij kanalen waar communicatie anoniem verloopt en vertrouwelijk wordt behandeld. Het is dan ook niet verrassend dat steeds meer jongeren de weg vinden naar online chatkanalen: in 2025 vonden via de JAC Chat 5.090 dialogen plaats, en via de chat van Awel 4.016 gesprekken. Bij lange wachtlijsten en hoge kosten in de traditionele zorg bieden die kanalen een laagdrempelig alternatief dat nauw aansluit bij de leefwereld van adolescenten. Wanneer jongeren wél de stap zetten om te praten, is oprecht menselijk contact cruciaal, samen met ondersteuning die is afgestemd op hun specifieke behoeften, of die nu praktisch of emotioneel van aard zijn.

Dat brengt ons terug bij de leerling die stil aan zijn of haar bank zit, in die klasgroep van twintig. Niet elk verlies is zichtbaar. Maar wie de ruimte krijgt om het te benoemen, draagt het net iets lichter.

Referentie

Guzzo, M., & Gobbi, G. (2023). Parental death during adolescence: A review of the literature. Omega, 87(4), 1207–1237. https://doi.org/10.1177/00302228211033661

Over de auteur

Thibault Souffree is masterstudent klinische psychologie aan de Universiteit Gent.

 

Kun je je brein trainen om een depressie op afstand te houden?

Je hebt een depressie doorgemaakt. Na een moeilijke periode gaat het eindelijk beter. De sombere gedachten zijn naar de achtergrond verdwenen en het dagelijks leven krijgt opnieuw wat kleur. Maar helemaal gerust ben je misschien niet. Want wat als de depressie terugkomt? Herval is helaas geen zeldzaamheid bij depressie. Vandaar wordt er niet alleen gezocht naar manieren om een depressie te behandelen, maar ook naar manieren om een nieuwe episode te voorkomen. Een opvallende mogelijkheid is om niet alleen de klachten zelf aan te pakken, maar ook het brein te trainen. Een van de processen die daarbij een rol kunnen spelen, is cognitieve controle. Meer specifiek is dit het vermogen om je aandacht en gedachten te sturen, bijvoorbeeld wanneer negatieve gedachten zich opdringen. Bij depressie kan het moeilijker zijn om los te komen van negatieve informatie of gedachten. Misschien kunnen we die controle dus versterken door ze gericht te oefenen.

Maar werkt dat ook?

Een training voor het brein

Om die vraag te onderzoeken, keek ik in mijn masterproef naar een vorm van cognitieve controletraining: de adaptive Paced Auditory Serial Addition Task, kortweg aPASAT. Tijdens deze computertaak krijgen deelnemers voortdurend cijfers te horen en moeten ze die op een bepaalde manier bij elkaar optellen. De moeilijkheidsgraad wordt aangepast aan hun prestaties, waardoor ze voortdurend worden uitgedaagd. De bedoeling is niet om mensen beter te leren rekenen. De taak is een manier om cognitieve controle te oefenen: aandacht vasthouden, informatie verwerken en blijven reageren terwijl de taak steeds veeleisender wordt.

Voor mijn onderzoek volgde ik zes mensen die een depressieve episode hadden doorgemaakt en op dat moment in remissie waren. Zij kregen gedurende twee weken de cognitieve training. Hun depressieve symptomen werden niet alleen voor en na de training gemeten, maar dagelijks opgevolgd. Zo konden we grondig bekijken wat er gebeurde vóór, tijdens én nadat de training was afgelopen. En precies daar werd het interessant.

Niet iedereen reageert hetzelfde

Als de training werkt zoals gehoopt, zou je verwachten dat depressieve symptomen tijdens de interventie geleidelijk afnemen. Dat gebeurde niet op dezelfde manier bij iedereen. Bij twee deelnemers daalden de depressieve symptomen al significant tijdens de trainingsfase zelf. Bij anderen zagen we iets opvallends: hun symptomen bleven tijdens de training vrij stabiel, maar daalden pas duidelijk nadat de training was afgelopen, tijdens de daaropvolgende opvolgperiode.

Bij de overige deelnemers zagen we geen duidelijk positief effect, of was er tijdelijk zelfs een toename van depressieve symptomen. De resultaten vertellen dus geen eenvoudig verhaal van training = minder depressieve klachten. Ze wijzen eerder op iets ingewikkelders, namelijk dat het mogelijke effect van cognitieve controletraining sterk lijkt te verschillen van persoon tot persoon, en dat dit zich pas later bij sommige mensen zou kunnen tonen.

Dat laatste is interessant, want het betekent dat het misschien niet altijd voldoende is om alleen te kijken naar wat er tijdens een behandeling gebeurt. Een behandeling die op het eerste gezicht weinig lijkt te doen, hoeft daarom niet noodzakelijk volledig ineffectief te zijn. Tegelijk kunnen we op basis van deze studie niet besluiten dat de training daadwerkelijk een vertraagd effect veroorzaakt. Daarvoor was de groep deelnemers te klein en was de opvolgperiode te kort.

Waarom werkt het bij de ene persoon wel en bij de andere niet?

Een volgende vraag is dan natuurlijk: voor wie werkt zo’n training eigenlijk? In mijn onderzoek leken deelnemers die bij de start meer depressieve symptomen rapporteerden vaker een merkbaar effect te vertonen. Dat sluit aan bij eerder onderzoek waaruit blijkt dat cognitieve controletraining mogelijk vooral nuttig kan zijn voor mensen bij wie cognitieve problemen sterker aanwezig zijn, wat overigens typerend is voor hoogrisicogroepen. Misschien ligt de toekomst van dit soort behandelingen dan ook niet in één training die voor iedereen hetzelfde werkt. Misschien moeten we juist beter leren voorspellen wie baat heeft bij cognitieve training, wanneer die het best wordt aangeboden en hoe lang het effect aanhoudt. Dat is des te belangrijker wanneer het doel niet alleen is om een depressie te behandelen, maar om een volgende depressieve episode te voorkomen.

Het brein trainen: veelbelovend, maar geen wondermiddel

Mijn onderzoek levert dus geen bewijs dat je met twee weken cognitieve training een depressie op afstand kunt houden. Daarvoor waren de resultaten te wisselend. Wel laat de studie zien waarom het interessant is om verder te kijken naar cognitieve training als mogelijke aanvulling in de hervalpreventie. De training is relatief laagdrempelig, digitaal en zo ook rendabel. Eerder onderzoek naar cognitieve controletraining wijst bovendien op mogelijke klinische meerwaarde. Toch blijft er nog veel onduidelijk: waarom reageert de ene persoon wel en de andere niet? Waarom toont een effect zich soms pas later? En wat gebeurt er wanneer de training stopt? Misschien is de belangrijkste les daarom niet dat we ons brein simpelweg kunnen trainen tegen depressie. Het is dat psychologische behandelingen niet noodzakelijk voor iedereen op dezelfde manier of op hetzelfde moment werken. De volgende stap is dan ook niet alleen onderzoeken óf we ons brein kunnen trainen om een depressie op afstand te houden, maar vooral voor wie, wanneer en hoe we dat het best kunnen doen.

Auteur

Caro Bruynen is masterstudente Klinische (Neuro)psychologie aan de Universiteit Gent (academiejaar 2025-2026). Dit artikel is gebaseerd op haar masterproef, begeleid door prof. dr. Ernst Koster en David Demeester. Met dit artikel won ze de Mensenkennis-trofee, een prijs ter bevordering van wetenschapspopularisering in de opleiding psychologie aan de UGent.

Referenties

Demeester, D., Zwalmen, Y. V., Baeken, C., Verhaeghe, N., Hoorelbeke, K., & Koster, E. H. (2025). Towards Targeted Prevention of Depression: A Phase II Trial on just-in-time Application of Cognitive Control Training with Booster Sessions. Journal Of Cognitive Enhancement, 9(4), 423–438. https://doi.org/10.1007/s41465-025-00339-z

Hoorelbeke, K., & Koster, E. H. W. (2017). Internet-delivered cognitive control training as a preventive intervention for remitted depressed patients: Evidence from a double-blind randomized controlled trial study. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 85(2), 135–146. https://doi.org/10.1037/ccp0000128

Hoorelbeke, K., Van den Bergh, N., De Raedt, R., Wichers, M., Albers, C. J., & Koster, E. H. W. (2023). Regaining control of your emotions? Investigating the mechanisms underlying effects of cognitive control training for remitted depressed patients. Emotion, 23(1), 194–213. https://doi.org/10.1037/emo0001067

Tsapekos, D., Kalfas, M., Schandorff, J. M., del Mar Bonnin, C., Bowie, C. R., Balanzá Martínez, V., Burdick, K. E., Carvalho, A. F., Dols, A., Douglas, K., Gallagher, P., Hasler, G., Kessing, L. V., Kjærstad, H. L., Lafer, B., Lewandowski, K. E., López Jaramillo, C., Martinez‐Aran, A., McIntyre, R. S., . . . Miskowiak, K. W. (2026). Predicting response to pro‐cognitive interventions in mood disorders: A systematic review by the International Society for Bipolar Disorders Targeting Cognition Task Force. Acta Psychiatrica Scandinavica, 153(5), 374-401. https://doi.org/10.1111/acps.70038

Vandaele, E. (2025). De invloed van boostersessies op de effectiviteit van een cognitieve controletraining bij voorheen depressieve personen: Training aangeboden op kritieke momenten (Masterproef). Universiteit Gent.

Vander Zwalmen, Y. V., Demeester, D., Hoorelbeke, K., Verhaeghe, N., Baeken, C., & Koster, E. H. W. (2025). The more, the merrier? Establishing a dose–response relationship for the effects of cognitive control training on depressive symptomatology. Journal Of Consulting And Clinical Psychology, 93(3), 161–175. https://doi.org/10.1037/ccp0000945

Vander Zwalmen, Y. V., Hoorelbeke, K., Liebaert, E., De Mévergnies, C. N., & Koster, E. H. W. (2022). Cognitive remediation for depression vulnerability: Current challenges and new directions. Frontiers in Psychology, 13, 903446. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2022.903446

Vander Zwalmen, Y. V., Koster, E. H., Demeester, D., Baeken, C., Verhaeghe, N., & Hoorelbeke, K. (2025). Predicting preventative effects of cognitive control training in remitted depressed individuals: A machine learning approach. Journal Of Affective Disorders Reports, 20, 100894. https://doi.org/10.1016/j.jadr.2025.100894

Vander Zwalmen, Y. V., Liebaert, E., Hoorelbeke, K., De Mévergnies, C. N., Baeken, C., Verhaeghe, N., & Koster, E. H. W. (2023). Treatment response following adaptive PASAT training for depression vulnerability: A systematic review and meta-analysis. Neuropsychology Review, 34(1), 232–249. https://doi.org/10.1007/s11065-023-09581-8

 

Het verborgen signaal van dementie: wat je neus je probeert te vertellen

Stel je voor: je merkt dat koffie minder sterk ruikt, parfum vlak wordt en je soms bijna niets ruikt bij het koken. Vervelend, maar ook een signaal waar je neus je iets probeert te vertellen over je hersenen.


Je neus als vroeg alarmsignaal
Onderzoekers zien al langer dat mensen met een slechtere reukzin een groter risico hebben om later dementie te ontwikkelen. Wij wilden één eenvoudige vraag beantwoorden: voorspelt vooral hoe goed iemand op dit moment kan ruiken het risico op dementie, of juist hoe snel de reukzin achteruitgaat?
In een groot Zweeds bevolkingsonderzoek volgden wij meer dan 1.600 oudere volwassenen jarenlang op. Over een periode van zes jaar deden ze meerdere keren een geurtest met 16 alledaagse geuren (zoals sinaasappel en roos). Daarna volgden we hen tot twaalf jaar lang om te zien wie dementie ontwikkelde.
In plaats van iedereen op één hoop te gooien, groepeerden we de mensen op basis van hoe hun reukzin veranderde. Zo konden we zien wie ongeveer gelijk bleef en bij wie de reukzin echt achteruitging.


Drie soorten neuzen
Uit onze gegevens kwamen drie types naar voren:
1) De blijvers: mensen met een goede reukzin die stabiel blijft.
2) De geleidelijke dalers: mensen met een matige reukzin die langzaam achteruitgaat.
3) De snelle dalers: mensen met een lage reukzin die snel achteruitgaat.
Toen we keken wie later dementie kreeg, was het patroon overduidelijk. Hoe slechter de reukzin, en hoe sneller die achteruit ging, hoe groter het risico op dementie. Mensen in de groep met matige achteruitgang hadden ongeveer drie keer meer risico op dementie dan de stabiele groep. Personen bij wie de reukzin laag is en snel achteruitgaat, hebben meer dan zes keer zoveel risico op dementie.


Wanneer is reukverlies extra alarmerend?
We bekeken ook het verschil tussen jongere oudvolwassenen (jonger dan 78 jaar) en oudere oudvolwassenen (78 jaar en ouder).
Bij de jongere groep waren de verschillen tussen de reuktypen het grootst. Als je op die leeftijd duidelijk sneller reuk verliest, lijkt dat een extra sterke waarschuwing. Bij de oudste groep zagen we nog steeds verbanden, maar minder scherp. Op heel hoge leeftijd is reukverlies namelijk veel vaker onderdeel van normale veroudering en andere aandoeningen.


Wat kan jij met deze informatie?
Reukverlies betekent niet meteen dat je dementie zal krijgen. Allergieën, verkoudheden, neuspoliepen, roken, en infecties zoals covid-19 kunnen allemaal de reukzin aantasten. Toch is het zinvol om alert te zijn op veranderingen bij jezelf.
Merk je plots of snel toenemend reukverlies op, dan is het verstandig om dit te bespreken met je huisarts. Dit is extra belangrijk als je hiernaast ook merkt dat je geheugen hapert of je je minder goed kunt focussen.
Voor de gezondheidszorg kan het interessant zijn om herhaalde reuktesten op te nemen in de opvolging van ouderen. Naast geheugen- en andere cognitietests, kunnen geurtesten waardevolle klinische informatie geven. Als we bij ouderen toch al bloeddruk, cholesterol en geheugen testen, waarom zouden we de reukzin dan niet meenemen?
Zou jij het goed vinden als je huisarts standaard een geurtest zou doen, net als een bloeddrukmeting?

Auteur
Warre Linseele won de Best Internship Award 2025–2026 voor de beste onderzoeksstage binnen de opleiding Theoretische en Experimentele Psychologie (FPPW, Universiteit Gent).

Bronnen
Adams, D. R., Kern, D. W., Wroblewski, K. E., McClintock, M. K., Dale, W., & Pinto, J. M. (2017). Olfactory dysfunction predicts subsequent dementia in older U.S. adults. Journal of the American Geriatrics Society, 66(1), 140–144. https://doi.org/10.1111/jgs.15048
Laukka, E. J., Ekström, I., Larsson, M., Grande, G., Fratiglioni, L., & Rizzuto, D. (2023). Markers of olfactory dysfunction and progression to dementia: A 12‐year population‐based study. Alzheimer S & Dementia, 19(7), 3019–3027. https://doi.org/10.1002/alz.12932

 

Waarom het tijd is om plezier terug te brengen in het menopauzedebat

In de media lijkt de menopauzale transitie louter een hormonaal verhaal: moet je nu wel of niet aan menopauzale hormoontherapie? Ook testosteron voor vrouwen krijgt aandacht [1]. Deze debatten zijn uiterst relevant, alleen voelt de lens te smal. Deze blik reduceert een complex proces tot één medische keuze en houdt zo bovendien een stereotiep beeld in stand: zin in en plezier van seks kent een één-op-één relatie met hormonen, en de verantwoordelijkheid daarvoor ligt voornamelijk bij vrouwen.
Het dominante verhaal over menopauze — achteruitgang, verlies van schoonheid en vruchtbaarheid — is niet abstract: mensen voelen dat verhaal in hun lichaam. De manier waarop hormonale veranderingen leiden tot een nieuwe manier van in het leven staan, een meer milde relatie met je lichaam, transformaties binnen partnerrelaties, aanwezige stressfactoren, het autonomer vormgeven van je leven en socioculturele verwachtingen rond ouder worden, … zijn evenzeer bepalend voor seksueel plezier als je laatste geprikte bloedspiegel. Laat dat nu precies zijn wat klinische richtlijnen benadrukken: bekijk menopauzale seksualiteit steeds in haar volle breedte — lichamelijk, psychologisch én sociaal [2].

Het ontbrekende verhaal: wat werkt wél?
Decennialang heeft menopauzaal onderzoek vooral klachten in kaart gebracht: minder zin in seks en toenemende vaginale droogte met als -logisch- gevolg pijn tijdens (vooral heteroseksuele) penetratieseks. Data van het Kinsey Institute tonen dat orgasmekwaliteit vaak stabiel blijft doorheen de menopauze én dat sommige vrouwen post-menopauzaal zelfs de plezierigste orgasmes van hun leven rapporteren [3]. Masturbatie is dan ook een onderschatte zelfzorg tool: uit een gecontroleerde studie blijkt dat regelmatige solo-seks menopauzale klachten zoals slaapproblemen en prikkelbaarheid vermindert — zeker wanneer vrouwen ook klaarkwamen [4]. Zo biedt masturbatie twee vliegen in één klap: beter stressmanagement én een daling van menopauzale symptomen. Waarom adviseert de zorg niet vaker dit gratis en veilig medicijn?
In grootschalig onderzoek duikt daarnaast een opvallende paradox op: verlangen en vaginale vochtigheid kunnen afnemen, maar orgasme en tevredenheid blijven verrassend stabiel. Wie regelmatig seks heeft, ervaart minder droogte, pijn en irritatie. Seksueel plezier en orgasme hoeven bovendien niet te verminderen met de leeftijd. Kortom: wie de lens verlegt van ‘verlies’ naar ‘wat werkt wél’, ziet ruimte voor seksueel plezier en herontdekking.

Seks verbreden voorbij penetratie
De gewoonte om penetratieseks als hoofdgerecht te blijven serveren binnen heteroseksuele relaties doet velen tekort, zeker wanneer seksuele pijn de kop op steekt. Pijn bij penetratie komt vaak voor tijdens de menopauze en wordt te vaak verkeerd of niet behandeld, terwijl er goede diagnose- en behandelmogelijkheden bestaan. Lokale oestrogeenbehandeling kan fysieke veranderingen aan de vulva voorkomen. Kinésitherapie helpt vrouwen om hun eigen bekkenbodem beter aan te voelen. Seksuologische zorg biedt ten slotte ruimte om na te denken over hoe je seksualiteit er verder uit mag zien — met of zonder partner.
Bovendien is wat voor velen het meest betrouwbaar plezier biedt net externe stimulatie. Vibratorgebruik is wijdverspreid en geassocieerd met betere seksuele functie. Om die reden horen speeltjes dan ook thuis in de menopauzale zorg: pijn is niet iets om ‘doorheen te bijten’, wel een stopteken van je lichaam en een signaal om je repertoire te verbreden en pijnvrij seksueel plezier centraal te stellen.

Lichaamsbeeld, autonomie en gender spelen een grotere rol dan hormonen
Wat je in de spiegel ziet, hoe veilig je je in je relatie voelt, hoeveel mentale ruimte je hebt en welke verwachtingen je omgeving op je projecteert: het kleurt allemaal je seksleven. Overzichtsstudies tonen aan dat factoren zoals lichaamsbeeld, stemming, relatiekwaliteit en kennis over de menopauze minstens even sterk samenhangen met seksueel functioneren en plezier als hormonale waarden. Ook leefstijl speelt een rol: stressregulatie, een realistische taakverdeling, voldoende slaap en beweging — en vooral je noden duidelijk uitspreken naar partner, gezin en werk. Deze componenten kleuren de beleving mee, ook in de peri-menopauze, die vaak tot een decennium of langer kan voorafgaan aan het stoppen van bloedingen.
Als we doen alsof al dan niet hormoongebruik de enige discussie is, dreigen we opnieuw in een discours te belanden waarin vrouwen het hele werk moeten doen: hun lichaam ‘fixen’, hormonen regelen, relaties ‘redden’. Leefstijl is niet alleen een persoonlijke keuze, maar ook een maatschappelijke kwestie. Partners, werkgevers, en de bredere omgeving kunnen een groot verschil maken: zich mee informeren, polsen naar concrete veranderingen en noden, verdeling van taken en mentale druk bespreken en aanpassen, …

Buiten de norm, geen goede zorg?
Het menopauzedebat is nog steeds vooral geschreven vanuit het perspectief van heteroseksuele cisgender vrouwen — mensen wiens genderidentiteit overeenkomt met het geslacht dat hen bij geboorte werd toegewezen. Lesbische, bi, queer, trans en non-binaire personen lijken nauwelijks deel uit te maken van dit denken. Een recente overzichtsstudie [5] vond slechts drie publicaties over hoe mensen buiten de cisgendergroep de menopauze ervaren.
Er ontbreekt niet alleen een duidelijke omschrijving van wat menopauze betekent voor trans mannen of non-binaire personen. Bovendien kan genderbevestigende testosterontherapie bepaalde klachten maskeren en sommige symptomen bij de opstart van hormoontherapie — zoals droogte, pijn of bloedingen in de genitale zone — lijken sterk op menopauzale klachten. Hoewel die klachten goed behandelbaar zijn met lokale oestrogenen, bestaat er geen enkel onderzoek naar hoe je dit het best aanpakt bij trans mannen en non-binaire personen. Het gevolg is voorspelbaar: wie buiten de norm valt, vindt moeilijker de weg naar goede zorg [6].

De menopauze is meer dan een hormonaal verhaal en seksualiteit tijdens de menopauze is meer dan een lijst klachten. Wie de blik verruimt — van verlies naar mogelijkheid, van hormonen naar ook oog voor de context — ziet een heel ander landschap: één waarin seksueel genot zich kan verdiepen, verschuiven en heruitvinden.

Oproep voor nieuwe studie
🔥 Om dit debat degelijk te voeren, hebben we studies nodig die sekspositiviteit centraal zetten. Daarom voeren de studenten van het Postgraduaat Seksuologie aan de Universiteit Gent een studie naar seksueel plezier tijdens de menopauzale transitie.
👥 We zoeken deelnemers die

  • minstens één jaar in een partnerrelatie zitten
  • ofwel peri-menopauzaal ofwel post-menopauzaal zijn
  • de afgelopen 6 maanden seksueel actief waren, solo en/of met een partner
  • de oproep richt zich tot iedereen die menopauzale veranderingen ervaart, inclusief trans mannen, non-binaire personen en andere genderdiverse mensen die (door hormonale en/of chirurgische trajecten) vergelijkbare klachten ervaren
    📝 Wat houdt deelname in?
    Invullen van een online vragenlijst, met een duurtijd van ongeveer 15 minuten.
    https://ugent.qualtrics.com/jfe/form/SV_1SJu5xYByGMZx9c

Auteur
Els Elaut (zij/haar) is klinisch psycholoog, klinisch seksuoloog VVS, gedragstherapeut en klinisch professor. Ze is verbonden aan het Centrum voor Seksuologie en Gender van het Universitair Ziekenhuis Gent en de vakgroep Inwendige Ziekten en Pediatrie van de Universiteit Gent. Vanuit deze functies staat ze aan het hoofd van de Gentse Postgraduaat Opleiding Seksuologie. Haar onderzoek in de seksuologie bouwt voort op een doctoraat naar de seksuele effecten van hormonale anticonceptie en seksuele beleving bij genderdiverse personen.

Bronnen
[1] Seymus, D. (2026, 7 februari). Hoe vrouwen jacht maken op testosteron: “niet alleen mijn libido was weg, ook mijn levenslust.” De Morgen.
[2] National Institute for Health and Care Excellence. (2024). Menopause: Identification and management (NICE Guideline NG23). https://www.nice.org.uk/guidance/ng23
[3] Graham, C.A., Ferrall, L., Lehmiller, J. (2025). Masturbation frequency and experiences among US women aged 40–65 years: comparisons across different stages of the menopause transition. Menopause, 32(10). DOI: 10.1097/GME.0000000000002597
[4] The Conversation. (2025). Does masturbating really help menopause symptoms? New research says yes. https://theconversation.com/does-masturbating-really-help-menopause-symptoms-new-research-says-yes-270146
[5] Xin M.Q.L., Lane R. (2025). Exploring the clinical, psychological, and social relevance of menopause for trans and gender diverse people: a qualitative study. Menopause, 32. DOI:10.1097/GME.0000000000002498
[6] Gravely, A.K., & Brotto, L.A. (2026). The non‑cisgender experience of menstruation and menopause: literature review and recommendations. Journal of Obstetrics and Gynaecology Canada, 48(1). DOI: 10.1016/j.jogc.2025.103161

 

Respectloos, narcistisch, en teer als sneeuwvlokjes: Onschuldige opvattingen over de jeugd van tegenwoordig, of toch niet?

In nogal wat actuele maatschappelijke debatten over opvoeding en onderwijs circuleren negatieve opvattingen over de jongeren van nu en hoe ze door hun ouders worden grootgebracht. Om gedragsproblemen op school te verklaren, stellen sommigen dat jongeren vandaag geen respect meer hebben voor autoriteit. Door een lakse opvoeding zouden ze geen regels meer aanvaarden en zich vaker onrespectvol en brutaal opstellen.

Een tweede vaak gehoord denkbeeld is dat de dalende onderwijsprestaties te wijten zijn aan een meer zelfingenomen houding van leerlingen vandaag. Ze gedragen zich als hooghartige consumenten van het onderwijs, die menen recht te hebben op een diploma zonder daar veel inspanning voor te moeten doen. Als er problemen opduiken, dan wijzen ze gemakkelijk naar anderen (meestal de leerkracht of directie). De wil om hard te werken voor een resultaat zou ver te zoeken zijn en jongeren zouden hun eigen capaciteiten sterk overschatten. Zo’n narcistische houding zou het resultaat zijn van een opvoeding waarbij ouders hun kroost op een voetstuk plaatsen en hen overmatig bewieroken voor al bij al middelmatige prestaties (de zogenaamde “zesjescultuur”).


Naast de opvattingen dat jongeren respectloos en narcistisch zijn, bestaat ook het idee dat jongeren vandaag tere kasplantjes zijn die niet overweg kunnen met tegenslagen, obstakels of feedback. Jongeren zouden overgevoelige sneeuwvlokjes geworden zijn die niet meer tegen een stootje kunnen. Deze kwetsbaarheid is het gevolg van hun overbeschermende of ‘bepamperende’ opvoeding: grootgebracht door helikopterouders die preventief alle problemen voor hen oplosten, hebben ze nooit geleerd hebben om zelf moeilijkheden aan te pakken.

Stereotypes?
Typeren deze opvattingen de huidige generatie jongeren echt of zijn het veeleer stereotypes? Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Daar hebben we immers betrouwbare data voor nodig die historische trends documenteren. En zo’n betrouwbare data zijn nu net vrij schaars. Vooral nuttig zijn cross-temporele vergelijkingen, waarbij een kenmerk op dezelfde manier werd gemeten bij jongeren van dezelfde leeftijd, maar geboren in een verschillend tijdperk.

Internationaal onderzoek toont zo, vanaf de jaren 90’ tot nu, een dalende trend in problematisch gedrag bij jongeren, waaronder agressie, criminaliteit, en middelengebruik [1-7]. Deze daling staat in schril contrast tot het idee dat jongeren vandaag zich in toenemende mate respectloos en moeilijk gedragen.

Ook het idee dat jongeren vandaag meer dan ooit narcistisch zijn en een label zoals ‘Generation Me’ verdienen [8], kunnen we in vraag stellen [9]. Jongeren vandaag blinken helemaal niet uit in zelfvertrouwen: zelfkritisch perfectionisme en het gevoel te moeten beantwoorden aan hoge standaarden nemen juist toe [10-11].

Sommigen argumenteren dat de toenames in mentale gezondheidsproblemen bij jongeren (zoals angst en depressie) bewijs leveren voor het denkbeeld van de sneeuwvlokjes [12]. Het is echter nogal kort door de bocht om jongeren met angst- en depressieklachten weg te zetten als ‘overgevoelig’: misschien groeien jongeren vandaag op in meer onzekere maatschappelijke omstandigheden, waardoor hun mentale klachten in verhouding staan tot de objectief toegenomen uitdagingen waarmee ze geconfronteerd worden. Ook voor het beeld van de toegenomen ouderlijke “bepampering” bestaat weinig direct bewijs. Een recente analyse toont dat er vanaf de jaren ’70 tot nu slechts een bescheiden toename is in overbeschermend opvoeden [13]. Die toename is zo klein dat ze geenszins het idee van een escalerende ouderlijke betutteling en bijhorende sneeuwvlokjesmentaliteit rechtvaardigt.

Als er voor de verschillende negatieve denkbeelden zo weinig wetenschappelijke evidentie bestaat, zouden we dan niet beter spreken over stereotypes en vooroordelen [14]? Net zoals er over ouderen vooroordelen bestaan (‘ageism’), kunnen ook jongeren inderdaad geconfronteerd worden met eenzijdige en stereotype opvattingen over hun leeftijdsgroep [15]. Die opvattingen, die worden benoemd met de term anti-youth ageism [14], sluipen de publieke opinie binnen via zowel klassieke als nieuwe media en kunnen uitvergroot worden via onzorgvuldige wetenschapscommunicatie. Het wordt vooral problematisch wanneer anekdotische ervaringen voldoende zijn om veralgemenende uitspraken te doen over de jeugd.

Hoe onschuldig zijn deze denkbeelden?
Los van de vraag naar het waarheidsgehalte van de denkbeelden over de hedendaagse jeugd, rijst vooral de vraag of dit gewoon onschuldige meningen zijn. Of hebben deze ideeën echte implicaties voor hoe volwassenen zich verhouden tot jongeren vandaag? Een terugkerende vaststelling in ons onderzoek is dat volwassenen die deze negatieve denkbeelden sterker onderschrijven ook aangeven op een meer controlerende of dwingende manier met jongeren om te gaan [16]. Ze proberen vaker hun verwachtingen op een eisende manier af te dwingen of ze worden zelfs persoonlijk aanvallend. Die samenhang zien we zowel bij ouders tegenover hun kinderen als bij leerkrachten tegenover hun leerlingen.

Mogelijks beschouwen leraren en ouders zo’n dwingende stijl als noodzakelijk om jongeren iets bij te brengen. Die stijl zou dan helpen om respect voor autoriteit aan te leren, narcistische jongeren een toontje lager te laten zingen en weerbaarheid bij te brengen aan de sneeuwvlokjes. Echter, de idee dat een controlerende stijl zo’n gunstige effecten heeft wordt niet bevestigd in onderzoek. Wel in tegendeel. Een dergelijke dwingende communicatiestijl werkt demotiverend en voorspelt zowel verminderd welzijn als meer gedragsproblemen [17-19]. Ironisch genoeg zou het gebruik van dwingende communicatie dus wel eens die uitkomsten in de hand kunnen werken die volwassenen met negatieve denkbeelden over jongeren het meest verfoeien. Om jongeren veerkracht en normbesef bij te brengen, is meer nodig dan simpelweg de druk opschroeven. Jongeren hebben er vooral baat bij als volwassenen richting geven (structuur) binnen een warme en ondersteunende relatie (verbondenheid) en op een manier waarbij jongeren zich erkend voelen en eigen keuzes kunnen maken (autonomie) [20].

Negatieve stereotypes over de huidige jeugd zijn niet onschuldig. Ze kunnen een voorspelling worden die zichzelf bevestigt en reële gevolgen hebben. We pleiten er dan ook voor om in het maatschappelijk debat kritisch te blijven tegenover denkbeelden over de jeugd, hoe wijd verspreid ze ook mogen zijn en om voorzichtig te zijn met veralgemenende uitspraken over jongeren. Zulke uitspraken bemoeilijken het debat, leiden tot polarisatie en helpen finaal niemand echt verder [20].

Auteurs

De auteurs zijn verbonden aan het Centrum voor Ontwikkelings- en Motivatiepsychologie van de Universiteit Gent (comugent.be). Onder leiding van Maarten Vansteenkiste (gewoon hoogleraar) en Bart Soenens (hoogleraar) — beiden toonaangevende experts in de Zelf-Determinatie Theorie — doen Joachim Waterschoot, Sofie Morbée, Nele Flamant en Jinte Vennincx onderzoek naar thema’s zoals opvoeding, motivatie en psychosociaal welbevinden. Samen onderzoeken zij hoe gezins- en maatschappelijke contexten de ontwikkeling van kinderen en jongeren vormgeven.

Een eerdere versie van deze blogpost werd ook gepubliceerd op www.opvoedendoenwesamen.be

Referenties

[1] Oberwittler, D., & Svensson, R. (2025). The international youth crime drop: Evidence and explanations. Crime and Justice, 54(1), 153-216.
[2] Askari, M. S., Rutherford, C. G., Mauro, P. M., Kreski, N. T., & Keyes, K. M. (2022). Structure and trends of externalizing and internalizing psychiatric symptoms and gender differences among adolescents in the US from 1991 to 2018. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 57(4), 737-748.
[3] Miech, R., Keyes, K. M., O’Malley, P. M., & Johnston, L. D. (2020). The great decline in adolescent cigarette smoking since 2000: Consequences for drug use among US adolescents. Tobacco Control, 29(6), 638-643.
[4] Moss, S. L., Santaella‐Tenorio, J., Mauro, P. M., Keyes, K. M., & Martins, S. S. (2019). Changes over time in marijuana use, deviant behavior and preference for risky behavior among US adolescents from 2002 to 2014: Testing the moderating effect of gender and age. Addiction, 114(4), 674-686.
[5] Coley, R. L., Leer, J., & Lanteri, L. (2025). Trends in mental and behavioral health risks in adolescents: 1999-2021. Pediatrics, 155(4), e2024068774.
[6] Slade, T., Chapman, C., Halladay, J., Sunderland, M., Smout, A., Champion, K. E., … & Teesson, M. (2024). Diverging trends in alcohol use and mental health in Australian adolescents: A cross‐cohort comparison of trends in co‐occurrence. JCPP Advances, 4(3), e12241.
[7] Chester, K. L., Callaghan, M., Cosma, A., Donnelly, P., Craig, W., Walsh, S., & Molcho, M. (2015). Cross-national time trends in bullying victimization in 33 countries among children aged 11, 13 and 15 from 2002 to 2010. The European Journal of Public Health, 25(suppl_2), 61-64.
[8] Twenge, J. M. (2014). Generation Me: Why today’s young Americans are more confident, assertive, entitled and more miserable than ever before. New York, NY: Atria.
[9] Wetzel, E., Brown, A., Hill, P. L., Chung, J. M., Robins, R. W., & Roberts, B. W. (2017). The narcissism epidemic is dead; long live the narcissism epidemic. Psychological Science, 28(12), 1833-1847.
[10] Curran, T., & Hill, A. P. (2019). Perfectionism is increasing over time: A meta-analysis of birth cohort differences from 1989 to 2016. Psychological Bulletin, 145(4), 410–429.
[11] Curran, T., & Hill, A. P. (2022). Young people’s perceptions of their parents’ expectations and criticism are increasing over time: Implications for perfectionism. Psychological Bulletin, 148(1-2), 107–128.
[12] McGorry, P. D., Mei, C., Dalal, N., Alvarez-Jimenez, M., Blakemore, S. J., Browne, V., … & Killackey, E. (2024). The Lancet Psychiatry Commission on youth mental health. The Lancet Psychiatry, 11(9), 731-774.
[13] Van Petegem, S., Eira Nunes, C., Soncini, A., Selçuk, S., Venard, G., Lamprianidou, E., Soenens, B., Zimmermann, G., & Leijten, P. (2025). Historical and cultural differences in perceived overprotective parenting from 1976 to 2023: A cross-temporal meta-analysis. In S. Van Petegem (Chair), Raising children in a changing social world: How sociocultural context shapes parenting. Symposium presented at the annual meeting of the Belgian Association for Psychological Sciences (BAPS), May 26-27, 2025, Université Libre de Bruxelles (ULB).
[14] Wray-Lake, L., Rottenberg, J., & Kennedy, H. (2025). Anti-youth ageism: What it is and why it matters. Child Development Perspectives, 19(3), 172-178.
[15] Wray-Lake, L., Henderson, D. K., Rottenberg, J., Lee, S., Wilf, S., Umo, R., & Saavedra, J. A. (in press). Adolescents’ experiences of anti-youth ageism. Journal of Adolescent Research.
[16] Vennincx, J., Morbée, S., Flamant, N., Vansteenkiste, M., & Soenens, B. (2025). Kids these days! Generational beliefs and their role in shaping teaching and parenting practices. Paper presented at the 11th SELF International Conference, November 18-21, Singapore.
[17] Ryan, K. M., Zimmer-Gembeck, M. J., Hawes, T., Kovacs, T., & Leahy, N. (in press). Intrusive parenting and adolescent internalizing and externalizing symptoms: Three-level meta-analytic reviews considering parenting concepts and methodology. Clinical Child and Family Psychology Review.
[18] Bradshaw, E. L., Duineveld, J. J., Conigrave, J. H., Steward, B. A., Ferber, K. A., Joussemet, M., Parker, P. D., & Ryan, R. M. (2025). Disentangling autonomy-supportive and psychologically controlling parenting: A meta-analysis of self-determination theory’s dual process model across cultures. American Psychologist, 80(6), 879–895.
[19] Howard, J. L., Slemp, G. R., & Wang, X. (2025). Need support and need thwarting: A meta-analysis of autonomy, competence, and relatedness supportive and thwarting behaviors in student populations. Personality and Social Psychology Bulletin, 51(9), 1552-1573.
[20] Vansteenkiste, M., & Soenens, B. (2025). Het ABC van motivatie in onderwijs: Een psychologische basis voor elke leerling en leraar. Lannoo.

 

Nooit meer genocide? Waarom plegen sommige mensen geweld op bevel maar anderen niet?

In 1994 vond in Rwanda een genocide plaats tegen de Tutsi-bevolking. In ongeveer honderd dagen tijd werden naar schatting 800.000 mensen vermoord. Wat deze periode extra aangrijpend maakt, is dat het geweld vaak werd gepleegd door gewone burgers: buren, collega’s, zelfs gezinsleden. Maar niet iedereen deed mee. Sommige mensen weigerden bevelen op te volgen. Ze verborgen slachtoffers, hielpen hen vluchten of misleidden milities om levens te redden. Zij worden vandaag vaak “redders” genoemd.

Dat roept een fundamentele vraag op: Waarom volgen sommige mensen schadelijke bevelen op terwijl anderen het risico nemen om die bevelen te weigeren? Een nieuwe studie, gepubliceerd in American Psychologist zocht het antwoord in het brein.


Met een draagbaar EEG door Rwanda
De studie werd geleid door prof. dr. Emilie Caspar. Haar team reisde door landelijke gebieden in Rwanda met een draagbaar EEG-toestel (elektro-encefalogram). Dat apparaat meet elektrische activiteit in de hersenen via sensoren op het hoofd. De onderzoekers werkten met drie groepen mensen die de genocide van dichtbij hadden meegemaakt: voormalige daders, omstanders en redders.

Het was geen eenvoudig onderzoek. Voor veel deelnemers waren de herinneringen nog steeds beladen. Er was tijd nodig om vertrouwen op te bouwen voordat mensen bereid waren deel te nemen aan hersenmetingen. Het is de eerste keer dat neurowetenschappers hersenactiviteit onderzochten bij mensen die een genocide meemaakten om te begrijpen wat morele weerstand onderscheidt van gehoorzaamheid.


Een moreel experiment
De deelnemers kregen een taak waarin een onderzoeker hen opdroeg om geld af te nemen van een andere persoon – of dat net niet te doen. De vraag was duidelijk: zou iemand een bevel uitvoeren dat een ander schaadt? Tijdens die beslissingen werd hun hersenactiviteit gemeten. Zo konden onderzoekers nagaan wie gehoorzaamde, wie weigerde en wat er in het brein gebeurde tijdens die keuze.


Redders voelen het leed sterker
Een belangrijke bevinding: redders vertoonden sterkere hersenreacties wanneer ze zagen dat een ander verdrietig werd doordat geld werd afgenomen. Die hersenreactie, de zogenaamde Late Positive Potential (LPP) gaat samen met emotionele betrokkenheid en empathie. Met andere woorden: redders lijken het verdriet van anderen intenser te voelen.

En dat had gevolgen voor hun gedrag. Hoe sterker hun emotionele reactie, hoe groter de kans dat ze weigerden het schadelijke bevel uit te voeren. De verhoogde empathische betrokkenheid lijkt dus samen te hangen met morele ongehoorzaamheid. Volgens de onderzoekers kan dit helpen verklaren waarom sommige mensen tijdens de genocide besloten anderen te helpen ondanks de risico’s.


Daders en omstanders: geen “gewelddadig brein”
Voormalige daders volgden in het experiment vaker schadelijke bevelen en rapporteerden minder gevoelens van persoonlijke verantwoordelijkheid. Toch vonden de onderzoekers geen stabiele hersenverschillen tussen daders en omstanders. Dat is een belangrijke bevinding.

In het dagelijkse denken gaan we er vaak van uit dat mensen die deelnemen aan genocide fundamenteel anders zijn – dat ze een “gewelddadige persoonlijkheid” hebben of een soort defect in hun brein. Maar de resultaten ondersteunen het idee van de “banaliteit van het kwaad”, een concept van de filosofe Hannah Arendt. Zij stelde dat extreem kwaad niet altijd voortkomt uit extreme persoonlijkheden maar uit gewone mensen die onder sterke sociale druk verschrikkelijke daden stellen. De studie suggereert dat factoren zoals propaganda, ontmenselijking, groepsdruk en angst een cruciale rol spelen. Het gaat dus niet alleen om wie iemand “is” maar ook om de context waarin die persoon zich bevindt.


Meer ongehoorzaamheid dan verwacht
Opvallend was dat meer dan de helft van alle deelnemers – over de drie groepen heen – het immorele bevel weigerde. Dat percentage ligt veel hoger dan in eerdere gehoorzaamheidsonderzoeken bij jongere generaties die na de genocide zijn geboren. In die studies was de mate van ongehoorzaamheid veel lager. Dit wijst erop dat gehoorzaamheid geen vast persoonlijkheidskenmerk is. Ervaringen, en zeker ingrijpende historische gebeurtenissen, kunnen beïnvloeden hoe mensen autoriteit en morele verantwoordelijkheid tegen elkaar afwegen. Maar de studie suggereert ook iets anders: enkel kennis over het verleden is niet automatisch genoeg om weerstand te bieden aan schadelijke invloed. Ervaringen lijken een diepere impact te hebben dan abstracte informatie.


Wat maakt redders anders?
Naast de hersenmetingen zagen de onderzoekers nog andere verschillen. Redders dachten langer na voor ze gehoorzaamden en noemden meer uiteenlopende redenen om bevelen te weigeren. Ze verwezen bijvoorbeeld naar empathie, opvoeding, morele waarden en de geschiedenis van Rwanda. Veel redders gaven ook aan dat ze als kind rolmodellen hadden die anderen hielpen. Dat wijst op een hoopvolle gedachte: morele moed kan groeien. Ze ontstaat mogelijk uit een combinatie van empathie, reflectie en voorbeelden in de omgeving.


Voorbij Milgram
Decennialang baseerden wetenschappers hun kennis over gehoorzaamheid op de experimenten van Stanley Milgram. Die toonden aan dat gewone mensen onder druk van een autoriteit ver kunnen gaan in het toebrengen van schade. Maar Milgrams studies vonden plaats in laboratoria met deelnemers die geen genocide hadden meegemaakt. Bovendien werd toen niet gemeten wat er in het brein gebeurde. De nieuwe studie bouwt hierop voort en brengt de vraag naar gehoorzaamheid dichter bij de realiteit van massaal geweld.


Waarom dit vandaag belangrijk is
De belofte “Nooit meer” klinkt vaak na genocides. Toch komen massaal geweld en ontmenselijking nog steeds voor in verschillende delen van de wereld. Als we willen begrijpen hoe gewone mensen weerstand kunnen bieden aan schadelijke bevelen, moeten we begrijpen hoe empathie, verantwoordelijkheid en sociale druk samenwerken in het brein. Deze studie laat zien dat extreme wreedheid niet noodzakelijk voortkomt uit een uitzonderlijk “slecht” brein. Maar ze toont ook dat morele moed geen mysterieus talent is van enkelen. Ze lijkt samen te hangen met hoe sterk iemand het leed van anderen voelt – en hoeveel ruimte die persoon neemt om na te denken voor hij of zij handelt. Dat is confronterend maar ook hoopgevend. Want als morele weerstand voortkomt uit menselijke eigenschappen zoals empathie en reflectie dan kunnen we die misschien ook versterken.


Auteur
Emilie Caspar is universitair hoofddocent aan de Universiteit Gent (Vakgroep Experimentele Psychologie). Haar werk in de sociale en cognitieve neurowetenschappen bouwt voort op een doctoraat aan de Université libre de Bruxelles, onderzoekservaring aan University College London en een door Marie Curie gefinancierde postdoctorale positie aan het ‘Netherlands Institute for Neurosciences’.


Referentie
Seyll, L., Sezibera, V., Masabo, F., & Caspar, E. A. (2026). Neural processing of obedience and resistance among former genocide perpetrators and rescuers. American Psychologist. Advance online publication. https://doi.org/10.1037/amp0001666. Available via this link.

 

AI in therapie: tussen belofte en menselijke grens

Wie vandaag met jongeren praat, merkt het snel: chatbots en AI-tools zijn deel van hun dagelijkse leven. Ze ondersteunen hun schoolwerk, zoekopdrachten en worden steeds vaker ingezet als gesprekspartner in vragen over stress, eenzaamheid of sombere gedachten. Volgens de IMEC Digimeter gebruikt al 68% van de Vlaamse jongeren generatieve AI [2] en internationaal zien we dat jongeren chatbots actief inzetten om over hun mentaal welzijn te praten [4]. Zonder dat we het goed beseffen, nemen we deel aan een grootschalig sociaal experiment. Maar wat gebeurt er als technologie een plaats krijgt in onze meest kwetsbare, menselijke momenten?


Wat leren we uit onderzoek naar AI in therapie?

In Zweden wordt met projecten zoals Steps-AI en CHAI (Cognitive–Human AI Interventions) onderzocht of AI-therapeuten principes uit de cognitieve gedragstherapie kunnen toepassen bij sociale angststoornissen. AI blijkt goed in het structureren van oefeningen en het consequent toepassen van protocollen, maar schiet tekort op empathie en moreel inzicht [5, 8]. De meest indrukwekkende resultaten komen voorlopig van een gerandomiseerde studie waarbij de inzet van “Therabot” leidde tot een daling van symptomen bij depressie, angst en eetstoornissen [3]. Veelbelovend maar met kanttekeningen: cliënten met ernstige problematiek werden uitgesloten en alle AI-berichten werden achteraf nagekeken door klinische experten.

Ook de samenwerking tussen mens en AI werd onderzocht [7]. Die combinatie leidde tot bijna 20% meer empathische gesprekken dan tussen mensen alleen. De onderzoekers pleiten er daarom voor om AI te gebruiken als ondersteunend hulpmiddel, niet als vervanging van menselijke zorg.

Wat AI wel en niet is

Om te weten wat wenselijk is in therapie, moeten we goed begrijpen wat AI eigenlijk is en vooral wat het niet is. AI herkent patronen in gegevens en voorspelt taal of beslissingen op basis daarvan. Maar het begrijpt niet wat het zegt, voelt niets en heeft geen bewustzijn. Het simuleert betekenis maar ervaart die niet. Deze beperking heeft belangrijke implicaties. AI kan stigma en stereotypes reproduceren die aanwezig zijn in haar trainingsdata. Onderzoekers toonden aan dat AI-modellen stigmatiserende houdingen kunnen vertonen tegenover mensen met depressie, schizofrenie en alcoholafhankelijkheid [6]. Dit staat haaks op de kern van therapie: een veilige, niet-oordelende ruimte.

Bovendien worden AI-systemen zo ontworpen dat ze beleefd, behulpzaam en positief communiceren. Dat zorgt voor een vriendelijke, veilige toon, maar leidt ook tot sycophancy: het systematisch bevestigen van de gebruiker zelfs wanneer diens ideeën problematisch zijn. In crisissituaties kan dit gevaarlijk worden. Zo groeit de lijst van incidenten waarbij een AI-model suïcidale ideaties net versterkt, met zelfdoding als gevolg.


Van mogelijkheid naar wenselijkheid

Daarmee komen we bij de vraag: welke plaats willen we AI geven in therapie? Techno-optimisten zien technologie als een bron van kansen. Ze geloven dat vooruitgang soms verder moet gaan dan wat mensen zich kunnen voorstellen. Anderen, de utilitaristen, vinden dat we technologie moeten beoordelen op haar gevolgen voor menselijk welzijn en rechtvaardigheid. Niet alles wat technisch mogelijk is, is daarom wenselijk.

Dus, stel dat AI een empathische reactie kan naspelen — willen we dat dan? Zelfs als AI in de toekomst nog beter wordt in het imiteren van empathie, blijft het een simulatie zonder echte betrokkenheid. De recente PANO-reportage, waarin een AI-versie van Dirk De Wachter werd nagebootst, riep veel discussie op [10]. KU Leuven-onderzoekers pleitten er zelfs voor om menselijk contact als een basisrecht te erkennen [1, 11]. Zorg van mens tot mens is volgens hen een fundamentele menselijke behoefte die we moeten beschermen tegen te veel robotisering.

Technologie op mensenmaat

De vraag is dus niet of technologie een plaats heeft in therapie, maar welke plaats wenselijk is. AI kan bijvoorbeeld helpen bij de training van hulpverleners, bij het oefenen van gespreksvaardigheden of therapeuten ondersteunen bij reflectie. Zo verbeteren we de zorg zonder het menselijke aspect te verliezen.

Sommige onderzoekers benadrukken dan ook dat de invoering van AI in de geestelijke gezondheidszorg transparant dient te gebeuren: met duidelijke uitleg over hoe algoritmes werken, wie verantwoordelijk is, en met evaluaties van de effecten op lange termijn [9].

AI in therapie blijft een hulpmiddel zonder begrip, empathie of moreel besef. De echte waarde van AI ligt daarom niet in het vervangen van zorgverleners, maar in het verbeteren van de omstandigheden waarin zorg kan plaatsvinden. Alleen dan kunnen we spreken van technologie op mensenmaat.

Auteurs
Elia Wyverkens is onderzoekscoördinator van de onderzoeksgroep Mensenmaat aan Howest, en behaalde haar doctoraat aan de afdeling Experimentele-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Ze coördineert projecten op drie brede onderzoekslijnen: welzijnsbevordering, inclusie en organisatie-ontwikkeling. Ze was reeds betrokken in projecten rond het inzetten van (digitale) tools in de hulpverlening en het ontwikkelen van AI-ondersteunde gespreksvaardigheidstraining.


Ruben Decoster behaalde zijn master in organisatiepsychologie en werkt als onderzoeker bij Mensenmaat Howest. Zijn onderzoek focust op sociaal-emotionele vaardigheden, blended leren en digitale technologieën zoals generatieve AI.


Kelly Geryl behaalde haar Master in de Pedagogische wetenschappen en is als docente en onderzoeker verbonden aan Howest. Binnen Mensenmaat droeg zij als projectmedewerker reeds bij aan projecten rond sociaal-emotionele vaardigheden, AI-ondersteunde gespreksvaardigheidstraining, alsook projecten rond beroepsgeheim en deontologisch werken.

Referenties

  1. Denier, Y., De Schutter, J., De Wachter, D., Gastmans, C., Geenens, R., Lauwaert, L., Royer, S., Vandemeulebroucke, T., & Vereycken, Y. (2025, 30 oktober). Robotisering en het recht op echt menselijk contact (Positiepaper Ethics@KU Leuven). KU Leuven. Geraadpleegd op 5 november 2025, via https://www.kuleuven.be/ethics-kuleuven/nl/bestanden-positiepapers/positiepaper-robotisering.pdf
  2. De Marez, L., Georges, A., Sevenhant, R. & Devos, E. (2025). Imec.digimeter.2024. Digitale trends in Vlaanderen. Imec.
  3. Heinz, M. V., Mackin, D. M., Trudeau, B. M., Bhattacharya, S., Wang, Y., Banta, H. A., Jewett, A. D., Salzhauer, A. J., Griffin, T. Z., & Jacobson, N. C. (2025). Randomized trial of a generative AI chatbot for mental health treatment. NEJM AI, 2(4), AIoa2400802. https://doi.org/10.1056/AIoa2400802
  4. Internet Matters. (2025, juli 1). Me, Myself & AI: Understanding and safeguarding children’s use of AI chatbots [Onderzoeksrapport]. Geraadpleegd op 5 november 2025, via: https://www.internetmatters.org/hub/research/me-myself-and-ai-chatbot-research
  5. Johansson, M., & Andersson, G. (2024). Steps-AI: Evaluating AI-supported psychotherapy for social anxiety. Karolinska Digital Mental Health Reports, 1(2), 33–45.
  6. Moore, J., Grabb, D., Agnew, W., Klyman, K., Chancellor, S., Ong, D. C., & Haber, N. (2025). Expressing stigma and inappropriate responses prevents LLMs from safely replacing mental health providers (arXiv:2504.18412). arXiv. https://arxiv.org/abs/2504.18412
  7. Sharma, A., et al. (2023). Human-AI collaboration enables more empathic conversations in text-based peer-to-peer mental health support. Nature Machine Intelligence, 5(6), 534–545.
  8. Stockholm University. (2024). The CHAI Study: Human and AI feedback in the treatment of social anxiety. Stockholm University Research Projects.
  9. Svensson, E., Osika, W., & Carlbring, P. (2025). Commentary: Trustworthy and ethical AI in digital mental healthcare – wishful thinking or tangible goal? Internet Interventions, advance online publication. https://doi.org/10.1016/j.invent.2025.100844
  10. VRT NWS. (2025, 28 oktober). Dirk De Wachter: Als AI-therapeut — zin en onzin AI-therapie. VRT.NWS. Geraadpleegd op 5 november 2025, via https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/10/28/dirk-de-wachter-als-ai-therapeut-zin-en-onzin-ai-therapie/
  11. VRT NWS. (2025, 30 oktober). Maak van menselijk contact een grondrecht: wetenschappers doen … VRT.NWS. Geraadpleegd op 5 november 2025, via https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/10/30/maak-van-menselijk-contact-een-grondrecht-wetenschappers-doen/
 

Samen sterk tegen radicalisering: Hoe verbondenheid het verschil kan maken

Eerder dit jaar (juni 2025) waarschuwde OCAD – het Belgische orgaan voor dreigingsanalyse – dat minderjarigen steeds sneller radicaliseren, vooral via online propaganda [1]. Waarom zijn jongeren zo kwetsbaar voor extreem gedachtegoed? Een belangrijke reden blijkt een gebrek aan verbondenheid met anderen te zijn [2]. In ons onderzoek toonden we aan dat zo’n tekort aan verbondenheid samenhangt met meer agressie. Dit creëert een kwetsbare situatie waarin extremistische groepen kunnen inspelen op geïsoleerde en gefrustreerde mensen door hen een hechte gemeenschap te beloven én een manier te bieden om hun agressie te uiten.

Een tekort aan diepe connecties, intimiteit en verbondenheid heeft een grote invloed op het psychologisch welzijn [3]. Zulke tekorten komen vaak voor bij mensen die toetreden tot extremistische groepen [2]. Denk bijvoorbeeld aan de extreemrechtse groepering Proud Boys, waar mannen aangeven eindelijk broederschap te vinden [4], of aan Al Qaida, waarvan de leden vaak migranten zijn die zich niet verbonden voelden met hun gastland en daarom bij een fundamentalistische groep terechtkwamen [2].

In ons onderzoek wilden we nagaan hoe het verband tussen een gebrek aan verbondenheid en extremisme precies werkt. We bevroegen 734 mensen via een vragenlijst. Onze resultaten toonden dat personen met weinig diepe connecties ook vaker agressieve impulsen hadden. Ze gaven aan dat ze in het dagelijks leven sneller agressief reageren, bijvoorbeeld door fysiek geweld te gebruiken bij provocatie. Dit bevestigde een algemeen principe: een gebrek aan verbondenheid kan leiden tot meer agressie [3]. En die verhoogde agressie? Die hing op haar beurt samen met een sterker geloof in extreme ideeën, zoals het idee dat andersdenkenden hun rechten moeten verliezen. Bovendien geloofden mensen met meer agressie vaker dat enkel geweld en illegale acties echte maatschappelijke verandering kunnen brengen.

Deze bevindingen ondersteunen onze hypothese dat een gebrek aan verbondenheid samengaat met meer agressie – twee kernfactoren waarop extremistische groepen kunnen inspelen. Toekomstig onderzoek kan nagaan hoe deze kettingreactie precies werkt, bijvoorbeeld door mensen over langere tijd te volgen en te bekijken of veranderingen in verbondenheid leiden tot veranderingen in agressie en extreem gedachtegoed.

Individuele verschillen

Gelukkig zet niet iedereen met een tekort aan verbondenheid zijn agressie om in extreme ideeën of geweld. Onze resultaten tonen dat er grote individuele verschillen zijn. Mensen die meer zwart-wit denken en geloven in simpele oplossingen voor complexe problemen, gaan sneller akkoord met het idee dat geweld de enige manier is om echte verandering te bereiken. Omgekeerd uiten empathische mensen hun frustratie en agressie minder in extreme ideeën of geweld. Sommige persoonlijkheidskenmerken beschermen dus tegen extremisme, terwijl andere het risico verhogen.

Deradicalisering

Verbondenheid is dus een cruciaal element in radicalisering, maar ook in deradicalisering. Personen die een sterke verbondenheid ervoeren, vertoonden minder agressieve neigingen en waren minder akkoord met extreme ideeën en gewelddadige oplossingen. Dit toont aan hoe belangrijk het is om verbondenheid te bevorderen als middel voor preventie en interventie.

Verschillende deradicaliseringsprogramma’s focussen al op het (her)opbouwen van het sociale netwerk van het individu. Zo betrekt het programma in Saudi-Arabië tijdens de opname de familie, om die band te herstellen. Na vrijlating blijft de familie betrokken, omdat ze de verantwoordelijkheid krijgen over het individu [5]. Op gelijkaardige wijze worden families betrokken in programma’s in Irak, Singapore en Sri Lanka [6, 7, 8]. Al deze programma’s tonen bij deelnemers een laag risico op terugval.

Ons onderzoek benadrukt opnieuw het belang van een aanpak die de oorzaken van radicalisering aanpakt. En vooral: dat we niet mogen vergeten dat ieder mens op zoek is naar verbondenheid. Laten we als samenleving die verantwoordelijkheid opnemen en volop inzetten op verbinding, zodat jongeren die niet hoeven te zoeken bij extreme groeperingen.

Auteur
Milena Waterschoot is doctoraatsbursaal aan de Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids-, en Sociale Psychologie (Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen) van de Universiteit Gent. Haar onderzoekt focust op de relatie tussen uitsluiting en extremisme.
Het bovenstaande onderzoek is gepubliceerd in Motivation and Emotion onder de titel “From relatedness frustration to violent extremism: The mediating role of aggression”. Het artikel kan geraadpleegd worden via deze link.


Referenties
[1] https://vrtnws.be/p.93R3JAd1P
[2] Abrahms, M. (2008). What terrorists really want: Terrorist motives and counterterrorism strategy. International Security, 32(4), 78–105. https://doi.org/10.1162/isec.2008.32.4.78
[3] Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2017). Self-determination theory: Basic psychological needs in motivation, development, and wellness. The Guilford Press.
[4] Kutner, S. (2020). Swiping Right: the Allure of Hyper Masculinity and Cryptofascism for Men Who Join the Proud Boys. Terrorism And Counter-Terrorism Studies. https://doi.org/10.19165/2020.1.03
[5] Boucek, C. (2008). Counter-terrorism from within: Assessing Saudi Arabia’s religious rehabilitation and disengagement programme. RUSI Journal, 153(6), 60–65. https://doi.org/https://doi.org/10.1080/03071840802670106
[6] Angell, A., & Gunaratna, R. (2011). Terrorist rehabilitation: The US experience in Iraq. CRC Press.
[7] Gunaratna, R., & Hassan, M. F. B. M. (2011). Terrorist rehabilitation: The Singapore experience. In L. Rubin & J. J. Gunaratna (Eds.), Terrorist Rehabilitation and Counter-Radicalisation: New Approaches to Counter-terrorism (1st ed.). Taylor and Francis Inc. https://doi.org/10.4324/9780203830482
[8] Hettiarachchi, M. (2013). Sri Lanka’s rehabilitation program: A new frontier in counter terrorism and counter insurgency. PRISM, 4(2), 105–121.

 

Kan ademhaling stress bij tieners verminderen?

Veel tieners voelen zich regelmatig gespannen — door toetsen, sociale druk of gewoon het dagelijkse leven. Omdat stress invloed heeft op hoe jongeren zich voelen én presteren, zoeken onderzoekers naar laagdrempelige manieren om ermee om te gaan. Eén mogelijke piste: bewust ademen.

De kracht van rustig ademen

Rustige, trage ademhaling kan het lichaam helpen om te ontspannen. Ze beïnvloedt het autonome zenuwstelsel, dat onze stressreacties regelt. Daarbij speelt de hartslagvariabiliteit (HRV) een rol — de variatie in tijd tussen hartslagen. Een hogere HRV wijst op meer veerkracht en een beter vermogen om stress te reguleren.

Een specifieke techniek, resonante ademhaling, richt zich op ademen in een kalm ritme van ongeveer zes ademhalingen per minuut. Dat ritme helpt hartslag, ademhaling en bloeddruk beter op elkaar af te stemmen, wat een rustgevend effect heeft.

Wat onderzochten we?

We wilden weten of resonante ademhaling tieners kan helpen om beter te herstellen van stress.
Hiervoor deden 95 jongeren van 12 à 13 jaar mee aan twee sessies. Tijdens de tweede sessie oefende de helft van hen tien minuten lang op hun natuurlijke ademritme, de andere helft op hun persoonlijke resonante frequentie. Daarna kregen ze een stressopdracht — een korte presentatie en hoofdrekenen voor een jury — gevolgd door een rustmoment. Tijdens het hele proces maten we hun hartslagvariabiliteit en gevoelens van stress.

Wat bleek?

Tieners die op hun resonante ritme ademden, vertoonden een tijdelijk rusteffect tijdens de oefening: hun HRV steeg, wat duidt op meer ontspanning.
Maar dat effect verdween zodra de stressopdracht begon. Ook emotioneel voelden beide groepen zich even gestrest: ze rapporteerden minder positieve en meer negatieve gevoelens, ongeacht hun ademhalingstechniek.

Wat leren we hieruit?

Een korte ademhalingsoefening kan het lichaam op dat moment helpen ontspannen, maar lijkt niet voldoende om stressreacties of herstel duurzaam te beïnvloeden. Waarschijnlijk is regelmatige training nodig om langdurige effecten te bereiken. Bovendien bleken de jongeren het ideale ademritme niet altijd goed aan te houden, wat het effect mogelijk heeft beperkt.

Ademen lijkt vanzelfsprekend, maar effectief leren ademen tegen stress vraagt oefening en begeleiding. Resonante ademhaling blijft een veelbelovende techniek, vooral als jongeren er stap voor stap mee leren werken.

Auteur

Janne Vreye won de Best Internship Award 2024–2025 voor de beste onderzoeksstage binnen de opleiding Theoretische en Experimentele Psychologie (FPPW, Universiteit Gent). In haar stage onderzocht ze hoe resonante ademhaling de hartslagvariabiliteit en emotionele reacties van adolescenten op stress beïnvloedt.

Bronnen


Shao, R., Man, I. S. C., & Lee, T. M. C. (2024). The Effect of Slow-Paced Breathing on Cardiovascular and Emotion Functions: A Meta-Analysis and Systematic Review. Mindfulness, 15(1), 1–18. https://doi.org/10.1007/s12671-023-02294-2
Steffen, P. R., Austin, T., DeBarros, A., & Brown, T. (2017). The Impact of Resonance Frequency Breathing on Measures of Heart Rate Variability, Blood Pressure, and Mood. Frontiers in Public Health, 5. https://doi.org/10.3389/fpubh.2017.00222
Thayer, J. F., & Lane, R. D. (2008). Claude Bernard and the heart–brain connection: Further elaboration of a model of neurovisceral integration. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 33(2), 81–88. https://doi.org/10.1016/j.neubiorev.2008.08.004